• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers Groter Groeien artikel ...


Overblijven op school


In enkele van onze buurlanden is overblijven op school de gewoonste zaak van de wereld. Er zijn goede voorzieningen getroffen voor kinderen die tussen de middag en na school niet meteen naar huis gaan. Maar er komt een nieuwe wet aan. Het lijkt erop dat ook in Nederland het overblijven eindelijk beter geregeld gaat worden. De begeleiders worden beter opgeleid. En vooral: beter betaald! En er is een heel nieuw project in ontwikkeling: ‘brede scholen’.


Nederland, dat we altijd graag zien als een vooruitstrevend land, loopt in sommige opzichten opvallend achter. Op het gebied van buitenschoolse opvang bijvoorbeeld. Wat betreft overblijven tussen de middag zijn er weinig vaste regels; van echt goede voor- en naschoolse opvang is nog maar mondjesmaat sprake. Veel voorzieningen die er wél zijn, voldoen niet helemaal of zijn zelfs krakkemikkig te noemen. Wat in België, Frankrijk en Scandinavische landen allang vanzelfsprekend is – de mogelijkheid om je kinderen ’s ochtends vroeg weg te brengen en hen tot het begin van de avond in een vertrouwde, goede leer- en ontspanningsomgeving achter te laten – is in Nederland nog een utopie. Het is hét grote probleem voor Nederlandse moeders met ambitie. Dure crèches, onhandige schooltijden en gebrekkige buitenschoolse opvang maken het voor hen moeilijk om een carrière op te bouwen. Het kabinet heeft onlangs enkele ontwikkelingen in gang gezet wat betreft overblijven en verplichte voor- en naschoolse opvang. Zullen die daadwerkelijk effect hebben? Of hebben we in Nederland nog een lange weg te gaan?


In Nederland gaan circa 1,7 miljoen kinderen naar het basisonderwijs en ongeveer de helft daarvan eet ten minste één dag in de week zijn boterhammen op school. Zij worden opgevangen door overblijfkrachten die op vrijwillige basis de kinderen onder hun hoede nemen. Ouders betalen daar een kleine bijdrage aan, gemiddeld € 1,13 per keer. Annette Mulder (36), moeder van Birthe (7), maakte tweemaal per week gebruik van de overblijfmogelijkheden op de school van haar dochter. ‘Tot ik merkte dat mijn kind daar erg ongelukkig van werd. Want juist tijdens de overblijf werd ze telkens gepest. Toen ik op school ging vragen hoe dat nu precies zat, bleek dat zij hier afstand van namen. Gesprekken met de overblijfmoeders leverden wel begrip op, maar geen oplossing. Het was gewoon te druk om meer aandacht aan mijn dochter te besteden, werd aangevoerd. Ik heb nu zelf een andere oplossing bedacht: ze luncht bij een buurvrouw, rustig en veilig. Het viel mij erg tegen dat de school geen enkele verantwoordelijkheid wilde nemen.’


Overgebleven werk

Dat de school de handen van dit probleem aftrok, is niet zo vreemd. De scholen zijn namelijk niet verantwoordelijk voor het overblijven. Dit verbaasde zelfs Rineke van Daalen, socioloog en verbonden aan de afdeling Sociologie & Antropologie van de Universiteit van Amsterdam. Zij schreef onlangs het boek: Overgebleven werk, kinderen tussen de middag op school. Ze vertelt: ‘Veertien jaar lang heb ik geld betaald voor het overblijven van mijn kinderen op school. Maar ik dacht er nooit over na waaróm eigenlijk. Ik ging er, net als de meeste ouders, vanuit dat het bij school hoorde.’ Maar sinds 1985 is het alleen zo geweest dat scholen een ruimte beschikbaar hoefden te stellen. Daarvóór was er zelfs helemaal niets geregeld voor ‘sleutelkinderen’, zoals ze toen werden genoemd.


Ouders regelen sinds dat jaar zelf hoe de overblijf ingevuld wordt. Per 1 augustus 2006 zal de wet veranderen. Vanaf die datum wordt de school verantwoordelijk voor de tussenschoolse opvang. Wel krijgen ouders expliciet zeggenschap over de wijze waarop het overblijven is geregeld. De school kan de organisatie van het overblijven zelf op zich nemen, ook kunnen ze dat overlaten aan de ouderraad of vrijwilligers, zoals het nu veelal gaat. Groot voordeel is dat de school voortaan op misstanden aangesproken kan worden.

En misstanden zijn er, helaas. In overvloed zelfs. Pesten, ordeproblemen, te kleine ruimtes, te weinig toezicht, onpedagogische aanpak door de overblijfkrachten, het komt allemaal voor. Veel kinderen lijden daaronder, zoals Birthe. Natuurlijk zijn er ook veel plekken waar het gelukkig allemaal wél naar behoren verloopt. Maar hoe komt het toch, dat in ons land waar zoveel dingen tot in de puntjes geregeld zijn, tussen- en buitenschoolse opvang zolang een ondergeschoven kindje is gebleven?

Rineke van Daalen: ‘In Nederland kennen we een heel lange huiselijke traditie. Er was altijd een duidelijke taakverdeling: de man verdiende het geld – voldoende voor het hele gezin – waardoor de vrouw thuis kon blijven en voor de kinderen kon zorgen. Dit gebeurde ook in andere westerse landen, maar in Nederland is het ontstaan van dit type ‘verzorgingsstaat’ opvallend goed gelukt. Hierdoor zijn er weinig collectieve voorzieningen ontstaan voor kinderopvang buiten of tussen schooltijd. Zelfs toen vrouwen wel gingen werken, met name vanaf de jaren 1990, was dat nog niet hard nodig, omdat ze vaak parttime gingen werken, wat nergens zoveel gebeurt als in Nederland. Vroeger waren we kampioen thuisblijvers, nu kampioen deeltijders! Dat maakte de nood kleiner.’

Maar vanwege de gesignaleerde misstanden bij het overblijven was duidelijk dat er vaste regels en afspraken zouden moeten komen. Hoe ver moet dat gaan? Ed van Veen, voormalig directeur van een basisschool, leerkracht en medewerker van het Instituut voor ontwikkeling van schoolkinderopvang (ios): ‘Ten tijde van het Paarse kabinet is er een wetsvoorstel geweest om kwaliteitseisen aan het overblijven te stellen. Minister Maria van der Hoeven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wilde zover niet gaan. Dat de school nu ‘verantwoordelijk’ gesteld zal worden voor de overblijf, is natuurlijk nog een heel rekbaar begrip. Toch is het een stap vooruit. De school kan zich niet langer verschuilen.’


Professionalisering

Wat de afgelopen jaren al wel is verbeterd: de professionaliteit van de overblijfkrachten. Omdat wel wordt ingezien dat overblijfkrachten meer zijn dan een eenvoudige oppas, zijn er trainingen en opleidingen opgezet. Ed van Veen: ‘Er is door de overheid flink veel geld uitgetrokken voor deze professionalisering. Van de mogelijkheid om opleidingen te volgen wordt nog niet veel gebruik gemaakt. Die zijn dan ook vrij intensief; een jaar lang één dag per week. Gewone trainingen zijn korter en daardoor laagdrempeliger. Ze worden door verschillende organisaties en op diverse manieren aangeboden. Ik geef zelf ook dit soort trainingen, veelal op locatie. In de meeste gevallen gaat het om vijf dagdelen per jaar. Uit onderzoek blijkt dat de trainingen een positief effect hebben. Vooral wat betreft knowhow: hoe kun je het beste met kinderen omgaan? Want overblijfkracht zijn, dat is helemaal niet zo simpel. Je moet overwicht hebben maar het toch gezellig houden. Het is echt heel wat anders of je als moeder thuis op je eigen kinderen past, of dat je opeens een hele groep koters om je heen hebt.’


Daar is ook Rineke van Daalen het mee eens: ‘De taak van een overblijfkracht wordt hier niet gezien als een volwaardig beroep en dat zou het wel moeten zijn. Zoals het dat ook is in Scandinavische landen. De korte trainingen hebben mijns inziens zeker zin, maar het is niet voldoende. Wat daarnaast jammer is, is dat er zo weinig waardering is voor overblijfmoeders.’

Dat laatste vindt ook Joke van Kampen (36), moeder van Berend (7) en Elsie (4). Zij houdt verschillende forums van ouders in de gaten, waar discussies worden gevoerd over het overblijven, en ze weet dat ze daarin niet de enige is. ‘Sinds de geboorte van mijn kinderen, heb ik geen vaste baan meer. Ik werk nu enkele dagen als overblijfmoeder op een school. Het is een zware en serieuze belasting om goed met de kinderen om te gaan. Ik voel mij soms net een politieagent. Sommigen zijn hondsbrutaal. Wat doe je daarmee? Hoe houd je het toch nog leuk, maar bewaar je wel de orde? Dat valt heus niet mee. Ik heb een training gevolgd en daar heb ik wel houvast aan. Maar als ik op verjaardagen vertel wat ik doe, merk ik dat mensen het zien alsof ik een soort van onbenullig oppasbaantje heb. Dat is wel kwetsend.’


Vrijwilligersvergoeding

Niet alleen de waardering, ook de vergoeding laat te wensen over. Overblijfkrachten ontvangen een vrijwilligersvergoeding. ‘Maar een vrijwilligersvergoeding is eigenlijk bedoeld als een onkostenvergoeding,’ aldus Rineke van Daalen, ‘en daarvan is hier geen sprake. Het betekent gewoon heel laag loon.’ Momenteel is de maximale vrijwilligersvergoeding die iemand per jaar mag ontvangen € 735,–. Meestal ontvangt een overblijfkracht tussen de € 8,– tot € 15,– per keer. Vanaf 2006 wordt de toegestane vergoeding verhoogd naar € 1500,–. Marijke Denslagen (32), overblijfmoeder in Amsterdam, geeft aan daar blij mee te zijn. ‘Hoewel mijn grootste motivatie betrokkenheid bij de school van mijn kinderen is, is het geld toch mooi meegenomen. Ik zal nu vaker gaan. Van die vergoeding kan ik toch weer een leuk extraatje doen.’

Ed van Veen: ‘Ik denk dat het een goede stap is dat de maximale vrijwilligersvergoeding wordt verhoogd. Ik denk dat de meeste moeders het toch óók een beetje doen voor het geld. Deze verhoging zorgt voor meer continuïteit en dat is prettig.’


Maar met de professionalisering van de overblijfkrachten zijn we er nog niet. Er komt ook geld beschikbaar voor investeringen in de huisvesting. Rineke van Daalen: ‘En dat is noodzakelijk. Veel voorzieningen zijn dan ook slecht. Ruimtes waar kinderen kunnen spelen zijn ongeschikt, er ontbreken kantines, schoolpleinen zijn te klein, sportvelden niet voldoende toegerust. Om echt goede opvang te krijgen, is er geld nodig. Veel geld. Meer dan dat er nu is. Ook kwaliteitseisen en toezicht zijn nodig, en een soort toezichthoudende instantie.’

Ed van Veen: ‘Kwaliteitseisen zouden bijvoorbeeld kunnen bepalen dat een overblijfkracht niet meer dan vijftien kinderen onder zijn of haar hoede mag hebben, bijvoorbeeld. Dat er niet teveel kinderen in één ruimte mogen zitten. Toch kan gesteld worden dat de situatie van het overblijven vergeleken met vijf jaar geleden enorm verbeterd is. In die tijd zag ik nog wel eens extreme situaties zoals kinderen die in een schuur werden opgevangen, of van ouders die aan het schreeuwen waren om de orde te bewaren. Dat kom ik nu niet meer tegen. We zijn er nog niet, maar het gaat zeker de goede richting uit.’

Overigens heeft het ios sinds kort een soort keurmerk ingesteld. Hierbij kunnen scholen testen of ze aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen.


Ouderforums

Niet alleen het overblijven is een discussiepunt in de politiek en op ouderforums. Ook wordt er al jaren gesproken over goede voor- en naschoolse opvang. Ook wat dit betreft is er nog maar weinig geregeld in Nederland. In september 2005 verzochten Van Aartsen en Bos in een motie om alle scholen vanaf 1 januari 2007 verplicht te stellen om voor- en naschoolse opvang te bieden tussen 7.30 en 18.30 uur, indien ouders daarom zullen vragen. Hiertoe is inderdaad besloten. Maar om dit goed te laten verlopen, zal er nog heel wat moeten gaan gebeuren. In 2006 zal daarvoor 35 miljoen euro beschikbaar komen, vanaf 2007 komt er 27 miljoen euro per jaar. De meeste scholen zijn er nu nog niet op gebouwd om kinderen passend op te vangen. Daarom zal de opvang eventueel in fases opgebouwd worden.


Wat een vooruitgang,’ vindt Irma Sprangen (41), moeder van de tweeling Bas en Barend (7). Zij woont sinds twee jaar in België, waar de kinderopvang erg goed geregeld is. ‘De crèches zijn hier goedkoop en er is altijd plek, peuters gaan al vanaf 2,5 jaar naar school. Ook buitenschoolse opvang is goed geregeld.’ Over de op ouderforums vaak gevoerde discussie of het wel goed is om kinderen lang uit te besteden, zegt ze: ‘Die drie dagen opvang maakt van hen echt geen losgeslagen kinderen. Ik denk eerder dat het hen tot mondige, sociale wezens maakt. Zolang de opvang maar goed geregeld en pedagogisch verantwoord is. Kijk, dat is wel een voorwaarde natuurlijk. In verschillende gemeentes in België wordt zelfs aparte opvang geregeld in vakanties. Het is hier veel normaler dat jonge moeders een goede en volledige baan hebben dan in Nederland.’


Brede scholen

vvd-Kamerlid Balemans voorspelt dat in 2015 ook in Nederland alles goed geregeld zal zijn. Dan zullen er al jaren heldere afspraken zijn met alle scholen: voor ouders en leerlingen zijn er faciliteiten van half acht ’s ochtends tot half zeven ’s avonds. Maar vooralsnog zijn de plannen erg vaag: scholen worden weliswaar verplicht opvang mogelijk te maken – óf door dit zelf te bieden óf door ‘randvoorwaarden’ te scheppen en het ergens anders te laten aanbieden – maar in dat laatste geval zijn ze niet zelf aansprakelijk voor de kwaliteit. Wat al wel enkele jaren in ontwikkeling is, dat zijn de zogenaamde ‘brede scholen.’ Hiervan zijn er in Nederland momenteel zo’n vijfhonderd. Het zijn samenwerkingverbanden tussen scholen, kinderopvang, sportclubs, buurthuizen, bibliotheken en dergelijke. Ze bestaan nog maar enkele jaren en ontstonden vanuit het idee dat een basisschool in een achterstandswijk zou moeten dienen als centrum van de buurt, waar kinderen op alle mogelijke manieren ontwikkeld worden. Nu zijn ze overal in Nederland te vinden, en worden ze ook wel ‘kantoorscholen’ genoemd, naar de werktijden van de ouders. De bedoeling is dat het aantal brede scholen de komende jaren uit zal groeien tot twaalfhonderd. Op verschillende internetforums discussiëren ouders hierover, waaronder op www.ouders.nl. Een belachelijke ontwikkeling, vindt de een. Je hebt toch geen kinderen om ze alle dagen ergens te ‘stallen’? Anderen zijn dezelfde mening als Irma Spangen toegedaan: goede buitenschoolse opvang is onontbeerlijk voor de ontplooiingsmogelijkheden van de ouders, en kan tegelijkertijd een aanvulling zijn op de ontwikkeling van het kind.

Het is duidelijk dat in de privé-sfeer, op scholen en in de politiek, hierover het laatste woord nog lang niet is gesproken.


Tot slot staan er veranderingen op stapel die flexibilisering van de schooltijden betreffen. Die zullen ingaan op 1 augustus 2006. Scholen krijgen meer vrijheid door onder meer de huidige urenverdeling tussen onder- en bovenbouw los te laten. Ze kunnen daar dus aan alle groepen hetzelfde aantal lesuren per jaar aanbieden (940 uur). ‘Erg prettig,’ vindt Chantal van der Linden (34). ‘Waarschijnlijk worden dan de schooltijden van mijn zoontje van vijf en mijn dochter van negen hetzelfde. Dat scheelt mij een hoop gedoe.’ De vijfdaagse schoolweek blijft uitgangspunt, hoewel zeven – vooraangekondigde – weken van vier dagen ingedeeld mogen worden. Het maximale aantal lesuren is 5,5 per dag. Dit alles wordt vooral voorgesteld om de scholen meer autonomie te geven. Het zal iedere school de mogelijkheid bieden zich meer te profileren en het biedt ouders de keuze een school voor hun kinderen te kiezen die aansluit bij hun eigen voorkeuren.


© Lydia van der Weide


Meer lezen over overblijven?

Overgebleven werk – kinderen tussen de middag op school. Rineke van Daalen, Het Spinhuis, Amsterdam, 2005, isbn 90 55 89 2319.


http://overblijven.web-log.nl – Weblog van Ed van Veen; hier worden actuele overblijfzaken besproken.

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide