• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers » Nouveau » artikel ...


De littekens van kindermishandeling


Trijntje werd geboren op 5 mei 1955. Een halve eeuw later was haar verjaardag eindelijk een echte bevrijdingsdag. ‘Alles was wankel in die periode. Ik had niets meer, alleen mezelf. Tegelijkertijd voelde ik me sterker dan ooit, want voor het eerst in vijftig jaar wist ik dat ik iemand was. Dat ik er mocht zijn. Om dat te vieren ben ik gaan bungeejumpen. Een symbolische sprong naar de vrijheid.’

Haar hele leven heeft Trijntje het gevoel gehad dat ze niets waard was. Toen ze twee jaar oud was, overleed haar moeder. Trijntje werd opgenomen in het gezin van haar moeders zus; haar oudere broer en zus werden bij andere familieleden ondergebracht. Maar op haar vierde, vond haar vader het beter dat alle kinderen samen zouden zijn. ‘We belandden bij mijn opa en oma. Ik voelde me ontredderd, verloren. Toen ik het waagde te protesteren, heeft mijn vader mij bijna doodgeslagen. Toen al leerde ik dat ik beter mijn mond kon houden. Enige tijd daarna verhuisden we naar mijn vader en zijn nieuwe vriendin. Wij kinderen kregen een prachtige kamer op zolder. Ik herinner me het opgeluchte gevoel: nu word ik eindelijk een normaal kind.’

Helaas liep het anders. Trijntje kreeg ingepeperd dat ze een duivelskind was. Daarom moest ze, buiten de schooluren, altijd op haar kamer zitten. ‘De huiskamer heb ik nooit gezien. Ik zat boven, en werd gecommandeerd en afgeluisterd door een intercom. Muisstil probeerde ik mij te houden, maar ik deed altijd wel iets verkeerd. Dan sloeg mijn stiefmoeder me, of ze liet me urenlang in een donkere gang staan. Doodsbang was ik dan; ik verschool me tussen de jassen. Of ze liet me in de wc staan. De hele avond. Mijn vader heeft me vaak slapend aangetroffen naast de wc, met mijn hoofd in mijn armen op de bril. Al die jaren was hij de grote afwezige, toch weet ik dat hij de drijvende kracht achter alles was.’

Ook eten moest Trijntje op haar kamer. ’s Ochtends koude, stijve brinta, die ze haast niet weg kreeg. ’s Avonds kleine porties warm eten, maar er was regelmatig een reden waarom ze een maaltijd moest overslaan. Trijntjes broer kreeg dezelfde behandeling, haar zus daarentegen was het lievelingetje van hun vader. ‘Mijn zus deelde wel haar eten met mij als ik weer eens niets kreeg, maar verder hoefde ik niks van haar te verwachten. Ach, zij moet op haar manier ook bezig zijn geweest met overleven. Op een gegeven moment is mijn broer in een kindertehuis geplaatst. Ik denk dat hij ‘weg moest’ omdat hij nog altijd in zijn bed plaste.’

Ook Trijntje wilde weg. Geregeld nam ze de benen. Ze belandde dan op het politiebureau, waar ze een nachtje uitrustte. Maar altijd weer kwam haar vader haar halen. ‘Ik heb wel verteld dat ik mishandeld werd, maar dat werd weggehoond. “Ach meisje, overal is wel iets.”’ Ook op school hoefde Trijntje geen hulp te verwachten. Niemand zag iets, niemand deed iets. ‘Maar ik was dan ook een ster in mezelf onzichtbaar maken. Ik deed wat er van mij verwacht werd, verder hield ik mij gedeisd.’ Toch had Trijntje vriendjes. ‘Soms kwam mijn stiefmoeder naar onze kamer om kleding in de kast te leggen. Ik lag dan doodstil in bed. Ik durfde zelfs haast niet te ademen. In mijn hoofd werd ik dan klein, heel klein, tot ik zo klein was als de houtwormen in de plank naast mijn bed. In mijn fantasie kroop ik dan die plank in en speelde met de houtwormen. Zij leerden mij gaatjes te graven en overal doorheen te kruipen. Zo kon ik even spelen, vrij zijn.’

Toen Trijntjes zus ook een keer geslagen werd, besloot ze weg te lopen. Trijntje, toen elf jaar, wilde mee. Ze gingen naar de oom en tante bij wie Trijntje ooit in huis had gewoond. ‘Mijn tante wist niet wat ze met ons aan moest. Ze heeft de politie gebeld en ons laten ophalen. Ik voelde me zó verraden.’ Dit keer bleef Trijntje, samen met haar zus, twee weken op het politiebureau. Daarna werden ze naar een tehuis gebracht. Voor de tweede keer hoopte Trijntje dat nu alles goed zou komen. ‘Tijdens die donkere jaren op die zolder dacht ik altijd: als ik hier ooit weg kom, begint het leven echt. Maar opnieuw viel dat tegen. Ik was niet meer dan een poppetje aan een touwtje: als je eraan trok, deed ik iets, anders kwam er niets uit. Ik was gewoon totaal kapot gemaakt. Niemand kon mij bereiken, maar ze probeerden het ook amper. Ik vond alleen troost bij de kat van het tehuis. Die liet ik stiekem bij mij in bed slapen. Maar toen werd ik overgeplaatst en was ik ook hem weer kwijt. Eigenlijk hoopte ik die eerste jaren dat mijn oom en tante me weer zouden komen halen, dat ik weer ‘thuis’ zou komen. Maar ze kwamen niet. Toen het rond mijn veertiende tot me doordrong dat ik nog even eenzaam was en dat dus kennelijk verdiende, heb ik mijn vader opgezocht. Ik dacht: ik wil terug naar die zolder, want daar hoor ik. Maar mijn vader keek mij koel aan en zei: “Wie ben jij? Ik ken jou niet.” Ik ben teruggegaan naar het tehuis. Er volgden jaren waar ik geen enkele herinnering aan heb.’

Nadat ze uit het tehuis kwam, vond Trijntje toch voorzichtig haar draai. Ze kreeg werk waar ze plezier in had. Ze maakte lol met vrienden. En rond haar drieëntwintigste kwam ze haar man tegen. ‘Eerst was het een warm bad. We deden veel leuke dingen samen. Toen ik een eigen woning kreeg, kwamen zijn ouders spontaan klussen. Ik kreeg vloerbedekking van hen. Ik wist gewoon niet wat me overkwam! Maar we zijn te snel getrouwd. Te laat ontdekte ik dat hij niet bereid was rekening met mij te houden. Fysiek geweld is in mijn huwelijk nooit voorgekomen, toch gaf ook mijn man mij weer het gevoel dat ik er niet toe deed. Ik was zijn sloofje, zijn slaaf. Ik wist niet hoe ik me moest verweren, dat had ik immers nooit geleerd. En we hadden inmiddels drie kinderen en ik wilde het beste voor hen. Ik dacht: voor mij is toch geen plek in deze wereld. Voor hen moet die er wél zijn. Dus ik gumde mijn eigen wensen uit en trok me in mezelf terug. Dat kun je lang volhouden. Ik deed het drieëntwintig jaar.’

Al die jaren had Trijntje haar vader nooit meer gezien. Tot ze werd gebeld dat hij op sterven lag, en haar gevraagd werd te komen. ‘Hij vroeg me vergiffenis. Maar ik had hem heel lang geleden al vergeven. Hij moet gek zijn geweest, anders doe je zulke dingen niet. Het heeft geen zin daar wraakzuchtig over te zijn. Toen ik hem zag, had ik maar twee vragen aan hem. Wat de voornaam van mijn moeder was; die had ik namelijk nooit geweten. En ik wilde weten of hij van haar gehouden had. Hij zei van wel. Dat gaf me een warm gevoel.’ Met haar stiefmoeder heeft Trijntje nooit meer contact gehad. ‘Het enige wat ik weet, is dat ze later in een psychiatrische instelling was opgenomen. Dat verklaart een hoop.’

Vier jaar geleden gebeurde er iets dat het leven van Trijntje helemaal zou veranderen. Ze volgde verschillende cursussen in het alternatieve circuit en bij één daarvan kwamen voorzichtig verdrongen kinderherinneringen omhoog. Pijnlijke herinneringen, herinneringen die ze nooit onder ogen had willen zien. Maar ook mooie. Heel mooie. ‘Die van het kleine meisje dat ik ooit was, toen ik nog bij mijn oom en tante woonde. Een doodgewoon meisje, dat is liefgehad! Dat zorgde voor een sterke euforie. Ik wás geen duivelskind! Ik was een gewóón kind geweest, met rechten. Dat besef was er dan wel uitgeslagen, maar die rechten, die had ik nog steeds! En het werd tijd dat ik voor mezelf op kwam, eindelijk eens.’

Er volgde een verwarrende, heftige tijd. Trijntje vocht ervoor om er met haar man uit te komen, maar dat lukte niet. ‘Tijdens een gesprek bij een therapeut zei hij: “Het is allemaal jóuw schuld.” Toen brak er iets. Alles was altijd zogenaamd míjn schuld geweest. De volgende dag ben ik vertrokken. Ik had de keuze tussen weggaan of doodgaan. Ik wilde eindelijk léven. Maandenlang heb ik in een tochtig tuinhuisje gewoond waar de schimmel op de muren stond. Mijn man was woedend, mijn kinderen diep gekwetst. Het is zwaar geweest. Loodzwaar. De scheiding is door mijn man tot het uiterste gerekt, financieel zat ik in grote problemen. Ik had niemand om op terug te vallen; mijn broer is overleden, met mijn zus heb ik slecht contact en andere familieleden waren er ook niet voor me. Maar ik heb het gered. Helemaal zélf.’

Nu, drie jaar later, heeft Trijntje een leuk ingericht huis. Ze leeft van het geld uit de boedelscheiding en een kleine alimentatie. Ze komt over als een dappere, intelligente vrouw die haar leven eindelijk zélf aan het opbouwen is. ‘Ik wil me niet langer wegcijferen. Nooit meer, voor niemand. Want ik weet nu dat ik dat niet verdiend heb. Net zomin als alle andere mensen die hetzelfde is overkomen. Dat zijn er veel, te veel. Er is hulp voor hen bij Stichting Geheim Geweld, waar ik ook mijn verhaal kwijt kon. Het contact met mijn kinderen is inmiddels verbeterd; gelukkig maar. Ik doe vele creatieve dingen, zoals schilderen, foto’s maken en djembe en klarinet spelen. Als ik zo bezig ben, voel ik me weer net zo vrij als wanneer ik vroeger met de houtwormen speelde. Dat deel van mij is vrolijk, lacht, geniet van het leven. Maar een ander deel van mij is nog altijd doodsbang. Doodsbang dat ik niet goed genoeg ben. Dat ik toch een duivelskind ben, dat geen recht heeft op een bestaan. Dat deel van mij durft eigenlijk nog steeds geen adem te halen. Want dat deel vreest dat ik, als het ooit uitkomt, opnieuw word opgesloten. Net als vroeger. Maar nu voorgoed.’

Voor hulp of informatie: www.stichtinggeheimgeweld.nl. Stichting Geheim Geweld zet zich in voor slachtoffers van kindermishandeling.

Carolien Roodvoets:

‘Het verhaal van Trijntje is schokkend maar het is geen extreem uitzonderingsgeval. Helaas, dit gebeurt. Per jaar worden zo’n 80.000 kinderen mishandeld en er sterft vrijwel iedere week wel een aan de gevolgen ervan. Zij die het wel overleven, zijn voor het leven getekend. Vaak zijn ze wantrouwend, depressief of lijden aan een posttraumatische stressstoornis. Ze kampen met een sterk gevoel van waardeloosheid. Ze denken dat ze er niet mogen zijn, ze voelen zich niemand. Vandaar de titel Niemandskinderen, voor mijn boek over dit onderwerp. Veel van deze Niemandskinderen belanden later, in hun relatie, in een tweede privé-oorlog. Want ze zijn een bedelaar op de markt, ze hebben immers nooit geleerd wat liefde is. En als je de passen van de relatietango niet kent, hoe kun je dan een goede relatie opbouwen? Om stabieler in het leven te staan, is het voor deze mensen belangrijk om het verleden te integreren in het heden. Veel mensen verbergen het, schamen zich, dragen hun herinneringen als een vieze theedoek voor zich uit. Beter kun je er zo vertrouwd mee raken dat je het op je huid durft te dragen. Mijn advies is: zoek een therapeut om jouw nooit vertelde verhaal te vertellen, iemand die onbevooroordeeld naar je luistert. Veel mishandelde kinderen hebben net als Trijntje het gevoel dat het hun schuld is. Dat is niet zo, geen enkel kind heeft schuld aan dergelijke gruwelijkheden. Degene die fout is, is de ouder. Altijd. Er is geen enkele alibi om je kind te mishandelen; óók niet je eigen traumatische jeugd. Mooi aan het verhaal van Trijntje vind ik dat ze nu zo creatief is. Dat zie je vaak bij mensen die met mishandeling te maken hebben gehad. Het authentieke gezonde kind is er nog steeds, het speelt, het haalt de schade van vroeger in.’

Niemandskinderen - de gevolgen en verwerking van een onveilige jeugd, Carolien Roodvoets, Aramith, 2006, € 15,90. Meer informatie: www.carolienroodvoets.nl

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide