• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers » Nouveau » artikel ...


Bijnadoodervaring


Tijdens een hartstilstand had Saskia Bauer een bijnadoodervaring. Ze schreef er een boek over: Heimwee naar de dood

Saskia Bauer (52):

‘De ochtend van mijn hartstilstand was ik nog met mijn kinderen vanuit Bussum naar Almere gereden om kleding te kopen. Daarna deed ik boodschappen en ging ik met onze hond naar de hei. Vrolijk was ik niet, ik had al lange tijd een depressie, maar lichamelijk voelde ik me prima. Toch ben ik, toen ik weer naar huis liep, zomaar in elkaar gezakt. Zelf weet ik er niets meer van; ik was in één klap weg. Onze hond liep angstig om mij heen en trok op die manier de aandacht van een voorbijganger. Het was echt op het nippertje; als deze man niet had geweten hoe je moet reanimeren en als er op datzelfde moment geen auto was langsgekomen met iemand met een mobiele telefoon – toentertijd nog lang niet zo wijdverspreid als nu – en zo een ambulance kon worden gebeld, dan had ik het zeker niet overleefd.

Drieënveertig jaar was ik, toen dit gebeurde. Vanwege een onbehandelde hartzakontsteking op mijn negentiende had ik al jaren last van hartritmestoornissen, vooral ’s nachts. Maar dat zoiets als dit zou kunnen gebeuren, dat had niemand kunnen vermoeden. Ze zijn vijfenveertig minuten bezig geweest om me te reanimeren. Toen ben ik vervoerd naar Ziekenhuis Gooi Noord in Blaricum. Daar belandde ik op de Intensive Care. Ik was bewusteloos en ver verwijderd van mijn omgeving. Kort daarna kreeg ik ook nog een epileptische aanval. Mijn man kreeg te horen dat hij weinig hoop moest hebben en er werd zelfs al gesproken over orgaandonatie.

Maar mijn toestand werd stabiel, verbeterde zelfs. En na twee dagen werd ik wakker. Totaal in de war. Ik herkende mijn eigen man niet meer, mijn kinderen ook niet. Ik schijn me gedragen te hebben als een kleuter, maakte lange neuzen naar bezoek. Toen ik mij langzaam weer bewust van de wereld werd, verbaasde ik me erover dat ik mij zo goed voelde. Vijf jaar eerder, kort na de dood van mijn moeder, had ik een depressie gekregen. Ondanks veelvuldige therapie en allerlei medicijnen was ik niet genezen. Al jaren was het leven een gevecht; moeilijk met twee kinderen in de puberleeftijd, die je helemaal niet wil belasten met je eigen zorgen. Maar nu leek het loodzware gevoel verdwenen. Vreemd, want lichamelijk was ik nog totaal niet opgeknapt en ook mijn geheugen liet te wensen over. Maar voorzichtig kwamen steeds meer herinneringen terug. Aan mijn gezin, familie, ons huis in Bussum. Maar niet alleen flarden van mijn leven voor mijn hartstilstand schoten door mijn hoofd; er kwamen ook andere, onverklaarbare beelden omhoog. Plotseling wist ik zeker dat ik mijn ouders gezien had. Ik vertelde het aan een verpleegster. ‘Die zijn hier anders niet geweest hoor,’ zei ze. ‘Dat weet ik,’ zei ik. ‘Ze zijn allebei dood. Tóch heb ik ze gezien.’ De zuster lachte meewarig.

Maar de herinneringen werden steeds duidelijker. Het waren beelden van twee tunnels. In de ene had ik mijn moeder gezien, als meisje van een jaar of twintig. Ze droeg een zwarte cape en een lange zwarte rok en stond met haar rug naar mij toe. Toch was het mijn moeder; dat dacht ik niet, dat wíst ik, onomstotelijk. In de andere tunnel stond mijn vader, eveneens jong en van mij afgedraaid. Ik wilde naar hem toe lopen maar bereikte hem niet. In plaats daarvan kwam ik op een bruggetje en zag in een wonderlijk helder licht de allermooiste bloemen denkbaar, in adembenemende kleuren. Op de brug had ik van bovenaf mijn vader gezien. Ieder haartje op zijn hoofd kon ik een voor een tellen en ik had uitgeroepen: ‘Wat is je bewustzijn hier vele malen groter dan op aarde!’ Toen was ik langzaam achteruit gelopen, tot het beeld van de tuin steeds kleiner werd. Ik wist nog dat ik mij daar heel ellendig over had gevoeld; ik wilde helemaal niet weg.

Deze ongrijpbare herinnering zat voordurend in mijn hoofd, ik kon nergens anders meer aan denken. In het ziekenhuis lag ik maar naar buiten te kijken maar zelfs als de zon straalde in een strakblauwe lucht, dacht ik: wat is het toch grauw! Dit licht kon gewoon totaal niet tippen aan wat ik had gezien. Maar ik vertelde niemand er wat over. Ik begreep er zelf niets van en wist dat het raar moest overkomen. Maar dat ik het echt had meegemaakt, stond voor mij als een paal boven water. Vijf weken later mocht ik naar huis; er was een defibrillator ingebouwd, links onder mijn sleutelbeen, die in werking zou treden bij ernstige hartritmestoornissen. Thuis ging het leven weer zijn gang en wonderbaarlijk genoeg was mijn depressie inderdaad over. Ik voelde me werkelijk als herboren. Toch dacht ik vaak: was ik dáár maar weer. Want daar, in die andere wereld, was het perfect geweest. Compleet. Het was een wereld zonder verlangens, wensen, angsten of twijfels. Een dimensie waarin je zowel heden als verleden als toekomst kon waarnemen. Omdat ik me afvroeg of dat wat ik had meegemaakt een bijnadoodervaring kon zijn, ben ik boeken over dit onderwerp gaan lezen. Ik had er wel eens van gehoord maar mij er nooit in verdiept. Daar was ik altijd veel te nuchter voor geweest. Ik ben niet gelovig opgevoed en hield me zelden bezig met de dood. Wel was ik ervan overtuigd dat de dood gewoon het einde was. Leven na de dood, het leek me onzin.

Ik ontdekte dat bijnadoodervaringen lang niet zo ‘zweverig’ zijn als ik dacht. Ze komen best regelmatig voor. Het interessante is dat het vrijwel altijd om dezelfde soort ervaringen gaat, ongeacht iemands achtergrond op het gebied van cultuur, religie of opleiding. Er wordt steeds gesproken over tunnels, onbeschrijfelijk mooi licht en een overweldigend gevoel van geluk, waarbij geen ruimte meer is voor iets anders. Er zijn ook mensen die zichzelf van bovenaf zien. Daar zijn opmerkelijke verhalen over. Ze hebben dingen gezien die ze nooit op een andere manier hadden kunnen weten. Ook zijn er verhalen van blinden die tijdens hun bijnadoodervaring konden zien; voor even waren ze verlost van hun aardse beperkingen.

Gesterkt door al deze ervaringen ben ik mijn omgeving gaan vertellen wat mij was overkomen. Mijn man en kinderen reageerden er gelukkig goed op. Ze wisten dat ik altijd met mijn beide benen stevig op de grond had gestaan en namen mij daardoor heel serieus. Gelukkig: bij stichting Merkawah, een Association for Near-Death Studies, hoor ik dat er regelmatig relaties op stuk lopen. Partners geloven het niet of kunnen niet begrijpen dat de persoon die de bijna doodervaring beleefd heeft er zo vol van is. Ook mijn zusje was geïnteresseerd en vroeg mij om mee te gaan naar een medium. Eerst hield ik dat af, maar uiteindelijk heb ik daar met mijn moeder gesproken. Het eerste wat ze vroeg was: ‘Hoe vond je het hier? Vond je het niet schitterend?’ Ik stond perplex; het medium wist niets van mijn bijnadoodervaring, dit moest écht mijn moeder zijn. Ik vroeg haar waarom ze zich niet naar mij had omgedraaid en ze antwoordde dat als ze dat wel gedaan zou hebben, ik niet meer had teruggekund. En ik móest terug, want het was mijn tijd nog niet. Overdonderd kwam ik thuis. Als ik dit verhaal vroeger van een ander zou hebben gehoord, dan had ik er sceptisch mijn schouders over opgehaald. Maar nu overkwam het míj!

Mijn leven is sinds mijn bijnadoodervaring volledig veranderd. Ik ben veranderd. Ik maak me niet snel meer druk, ben veel milder geworden. Behulpzamer ook. Ik voel een vreemde verbondenheid met alle mensen, met wie dan ook. Ik weet dat wij allemaal onderdeel zijn van één geheel en soms is het net alsof ik iedereen al eens eerder heb ontmoet. De grootste verandering is dat ik niet meer bang ben voor de dood. Niet voor die van mijzelf, ook niet voor die van een ander. Ik weet namelijk dat de dood niet bestaat. Het is niet meer dan een afscheid van je fysieke bestaan. Je ziel blijft, zoals die er voor je geboorte was. Dat wij dat niet meer weten, komt door onze aardse, fysieke beperkingen. Maar straks zijn we terug in een paradijselijke wereld waar alle vragen wegvallen en waar het veel beter toeven is dan hier. Daarom heb ik nog vaak heimwee. Heimwee naar de dood. Toen er een paar jaar geleden een kwaadaardige vorm van borstkanker bij mij werd geconstateerd, bleef ik dan ook heel rustig. Ik begreep niet dat mijn man tranen in zijn ogen kreeg. Zo erg was het toch helemaal niet? Thuis werd ik wakker geschud: onze zoon, op dat moment negentien jaar oud, een lange vent, moest verschrikkelijk huilen en ook onze dochter reageerde zeer heftig. Toen realiseerde ik mij dat ik er echt niet zo licht over mag denken, dat ik hier nog verantwoordelijkheden heb. Mijn borst is geamputeerd en de kanker is weg, al word ik nog steeds goed gecontroleerd.

Als mensen erin geïnteresseerd zijn, vertel ik hen graag over mijn ervaringen. Zeker mensen die erg bang zijn voor de dood wil ik graag helpen. Daarom volg ik nu een cursus in een hospice, om daar als stervensbegeleider te gaan werken. Maar ik zal nooit iemand iets opdringen. Iedereen heeft recht op zijn eigen mening en als mensen hier niet voor open staan, dan begrijp en respecteer ik dat. Maar zelf ben ik erg dankbaar dat ik deze onuitwisbare ervaring heb mogen meemaken. Het is een wonderlijk cadeautje dat mijn leven enorm heeft verrijkt.’

Saskia Bauer schreef een boek over haar BDE. Heimwee naar de dood. Verslag van een bijna-doodervaring en de gevolgen daarvan in het dagelijks leven. ISBN 90-5974.097-1, Uitgeverij Gopher, 2006

Stichting Merkawah is onderdeel van de International Association for Near-Death Studies (IANDS) en stimuleert wetenschappelijk onderzoek naar bijna-doodervaringen en biedt mogelijkheden tot lotgenotencontact en begeleiding.

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide