• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers Nouveau artikel ...


Marjans adoptiezoon zit gevangen in Frans Guyana, Zuid-Amerika


De adoptiezoon van Marjan zit in Frans Guyana een gevangenisstraf uit van tweeëntwintig maanden. Hij werd opgepakt voor drugssmokkel.

Marjan (45):

‘Mijn man en ik zaten in de auto toen de consul van Frans Guyana belde. ‘Ik heb goed nieuws en ik heb slecht nieuws,’ zei hij. Onze zoon Jos, die al vijf maanden spoorloos was, was eindelijk gevonden. Maar hij zat in de gevangenis. Opgepakt tijdens een poging tot het smokkelen van 350 gram cocaïne. Als wij hem niet als internationaal vermist hadden opgegeven, was hij waarschijnlijk niet uit de rij van de douane gehaald. Ik heb mij daar wekenlang schuldig over gevoeld. Hoe ontzettend fout ik het ook vind wat hij deed; mijn moederhart, dat zegt iets anders. Dat breekt bij de gedachte dat hij daar nu in een buitenlandse gevangenis zit, al heeft hij het nog zo verdiend.

Tegelijkertijd brengt de gedachte dat hij vastzit rust. De maanden ervoor waren nog vele malen erger. We wisten dat er iets verschrikkelijk mis was, maar wát dan. De vele slapeloze nachten waarin we vreesden dat we Jos nooit meer levend zouden terugzien. Het allerergste was nog die keer dat mijn man en ik tijdens onze toch al gespannen vakantie werden gebeld dat er een lijk was gevonden dat voldeed aan de beschrijving van onze zoon. Nu weten we tenminste dat hij leeft en hij schijnt het daar in de gevangenis niet eens zo slecht te hebben. Ik hoop maar dat hij ervan leert en dit nooit, nooit meer zal doen. Maar we hebben al zoveel met hem meegemaakt, dat we nergens meer op rekenen.

Doordat ik endometriose heb gehad, verklevingen van baarmoederslijmvlies, wist ik al jong dat de kans op een biologisch kind voor mij klein zou zijn. Echt erg vond ik dat niet; adoptie leek mij een uitstekend alternatief. Mijn man en ik gaven ons op toen ik nog maar vijfentwintig was. Vijf jaar later hoorden we dat er een zoon voor ons was, van bijna vier. Ik was diep ontroerd, toch stond zijn ingewikkelde voor- en achternaam direct in mijn geheugen gegrift. Hij hoorde bij ons, meteen en helemaal. Nog diezelfde dag zijn we naar de winkel gesneld om spullen voor zijn slaapkamer te kopen. Niet veel later zaten we in het vliegtuig naar Colombia om hem op te halen, opgetogen, verwachtingsvol. De eerste ontmoeting was hartverwarmend. Hij wist dat zijn nieuwe papa en mama zouden komen, had foto’s van ons gekregen. Daar had hij zoveel kusjes op gegeven dat het vodjes waren geworden. Onderweg naar het hotel zat hij op mijn schoot krulletjes in mijn haar te draaien en me onophoudelijk aan te staren.

De eerste tijd in Nederland ging uitstekend. Jos leerde snel Nederlands en was een vrolijk, knap mannetje dat ieders harten stal. Wel was hij erg druk. En spelen kon hij niet, dat had hij nooit geleerd. We merkten dat hij mishandeld was in een van de vele pleeggezinnen waarin hij had gezeten, want toen hij eens ’s nachts in zijn broek had geplast, verstopte hij zich onder bed, doodsbang dat wij hem zouden slaan. Wij hoopten dat kleine knulletje alle liefde te kunnen geven die hij vroeger had moeten missen.

Maar in de jaren erna bleek dat het muurtje dat hij om zich heen had moeilijk neer te halen was. Op school had hij slecht contact met de andere kinderen, hij was echt een buitenbeetje, en ook naar ons toe bleef onder de schijnbare overgave een bepaalde argwaan. Hij was erg gesloten en zocht overal wat achter. Als ik luchtig informeerde hoe het op school was geweest, dacht hij al dat ik hem wilde controleren. Het contact was altijd dubbel. Hij wilde wel graag bij je op de bank zitten, maar als je dan je arm om hem heensloeg, dan ging hij gauw weg. Naar zijn eigen kamertje, waar hij urenlang in zijn eentje kon zitten. Natuurlijk deed dat gedrag wel eens pijn, maar het was niet anders. Je neemt je kind zoals hij is, onvoorwaardelijk.

Jos was dertien toen het misliep. Mijn man en ik hadden een eigen winkel en er verdween regelmatig geld uit de kassa. We hadden net nieuw personeel. Zou die niet te vertrouwen zijn? Of maakten we soms een rekenfout? Jos zat doodkalm met ons mee te rekenen, avondenlang. Hem verdachten we geen seconde. Tot we via via hoorden dat hij altijd met stapels geld rondliep en vrienden kocht op school, door ze alle dagen op drank en snoep te trakteren. We hebben hem aangegeven bij de politie. Natuurlijk voel je je dan een verschrikkelijke verrader maar hij moest weten dat dit echt niet kon. Wóest was hij. Want hij kon er niets aan doen, ánderen hadden hem gedwongen. Dat schuld afschuiven is heel typerend voor Jos. Alles ligt altijd aan factoren buiten hem; het woord sorry heeft hij zijn hele leven nog nooit in de mond genomen.

Deze gebeurtenis hakte behoorlijk in op onze band, die daarna steeds slechter werd. Op school deed hij niets, terwijl hij toch goed kon leren. Pas toen hij een tijd een school bezocht voor moeilijk opvoedbare kinderen ging het plotseling uitstekend. Daar voelde hij zich thuis, eindelijk geen vreemde eend in de bijt. Maar omdat hij het er te goed deed, moest hij weer naar het gewone onderwijs. Daar ging het direct weer mis. Ook thuis was hij niet te handhaven. Hij kon liegen over de kleinste dingen, over dingen die totaal onnodig waren. Moedeloos werd ik ervan, radeloos zelfs. Als hij om vier uur ’s middags thuis zou komen, kreeg ik een kwartier van te voren al hartkloppingen voor wat er nu weer zou gaan gebeuren. Ik voelde me geen moeder meer, alleen nog maar verzorger, hulpverlener. Er zat niets anders op dan Jos uit huis te laten plaatsen.

Over de hulp die hij en wij kregen in de jaren erna, ben ik niet te spreken. De begeleiding van Jeugdzorg was slecht, de instellingen waar hij kwam kil en liefdeloos. Toen hij zogenaamd begeleid ging wonen, kwam het erop neer dat mijn man en ik er om de dag heen moesten om hem te leren strijken, koken, wassen, anders kwam daar niets van terecht. Onze band bleef dubbel. Zodra we gescheiden waren, zocht hij voortdurend contact. Mailen, bellen, sms’en, hij kon niet zonder ons. En wij niet zonder hem hoor, net zo goed. Maar als hij langer dan een paar uur over de vloer kwam, liep het mis. Eén keer zelfs zo erg dat hij mijn man in elkaar geslagen heeft. Met zes man politie moesten ze hem afvoeren. En de volgende dag kwam hij doodleuk weer binnen wandelen, zonder een woord van excuus! Toch zijn er in die periode ook mooie momenten geweest. Tijden dat hij leuke vriendinnetjes had, dat hij bezig was schulden af te lossen en we hoopten dat alles nog goed kwam met hem.

Maar diep in ons hart wisten we wel dat hij met foute dingen bezig was. Eerder had hij veel voor uitzendbureaus gewerkt, nu deed hij niets meer. Wel liep hij altijd met pakken geld rond. Dat kon gewoon niet pluis zijn, maar ja, wat moet je? Hij loog tóch. Wij konden hem niet tegenhouden, de hulpverlening had zijn handen van hem afgetrokken toen hij achttien werd. Angstig staken we ons hoofd in het zand. Maar helaas, we vergisten ons niet.

Een half jaar geleden gebeurden er rare dingen. Jos belde niet meer, mailde alleen. Zijn telefoon bleek afgesloten. Op de verjaardag van zijn oma, die zeventig werd en waarvoor zelfs familie uit Denemarken overkwam, schitterde hij door afwezigheid. Ook kwam hij niet op de verjaardag van mijn man. ‘Als ik terug ben, kom ik snel langs,’ mailde hij. Terug? Waar was hij dan? Toen we later de vraag ontvingen of we alsjeblieft wat geld naar hem wilde overmaken omdat hij zo’n honger had en al dagen niet meer had gedoucht, ben ik zijn bankafschriften gaan onderscheppen. Het geld was opgenomen in Frans Guyana! Maar navolgend geld bleef op zijn rekening staan, heel eigenaardig bij zo’n geldwolf als Jos.

Na weken, maanden wanhopen was er toen dat telefoontje van de consul. Onze zoon zat vast voor drugssmokkel. Hij had tweeëntwintig maanden gekregen en een boete van 18.000 euro; de straatwaarde van de cocaïne die hij bij zich had. Al snel volgde een eerste brief van Jos. Hij schreef: ‘Ik weet waarom ik ben gepakt, maar ik ben niet boos.’ Hij doelde erop dat wíj hem als vermist hadden opgegeven. Toen ben ik wel even door het lint gegaan. Hij niet boos? Waar haalde hij het lef vandaan? Geen woord van excuus, in al zijn brieven niet. Wel laat hij ons telkens weten dat hij het goed maakt. Ik hoop maar dat dit waar is en dat hij dat niet zegt om ons gerust te stellen. Hij beweert dat het niet zo erg is in de gevangenis: hij krijgt goed te eten, slaapt ‘maar’ met acht man op een kamer van zes en ondanks de vele muizen, vermaakt hij zich wel. Iedere keer meldt hij optimistisch over hoeveel dagen hij alweer vrijkomt.

Na de eerste grote schok is er bij mijn man en mij een gevoel van gelatenheid en berusting gekomen. We hebben het wel overwogen, maar we zijn niet naar Frans Guyana gegaan. Het is een heel dure reis, we zullen hem maar een paar uur kunnen treffen en ik weet gewoon dat mijn hart zal breken als ik hem daar zal zien. Maar we schrijven hem vele brieven en branden kaarsjes bij zijn foto, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Hij is onze zoon, dat gaat niet over. Nooit. En als hij terugkomt, is hij hier welkom, natuurlijk. Niet meer om te wonen overigens, daarvoor is er teveel gebeurd en wij moeten onze grenzen stellen om zelf overeind te blijven, maar ik ga wel lekker voor hem koken, met hem de stad in voor nieuwe kleren, hem helpen om een huis in te richten. Want ik hou van hem, heel simpel. Of hij ook van mij houdt, dat durf ik niet te zeggen. Ik vraag me vaak af of zijn vermogen tot liefhebben niet al in zijn vroegste jeugd kapot is gemaakt. Eigenlijk ben ik bang van wel en dat vind ik heel verdrietig. Voor mezelf, maar vooral voor hem, mijn zoon, die ik zo graag gelukkig zou zien.’

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide