• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers Nouveau artikel ...


Eindelijk samen met kerst


Na de dood van zijn vrouw kan Klaske eindelijk de feestdagen doorbrengen met haar

Klaske (49):

‘Negen jaar lang ben ik met kerst alleen geweest. Vijf daarvan had ik geen relatie; na de dood van mijn man heeft het lang geduurd voordat ik opnieuw verliefd kon worden. Toen ik het wel werd, was het op een gebonden man. Al die jaren heb ik met de feestdagen genoegen moeten nemen met een lief sms’je of een stiekem telefoontje. Dit jaar zal ik de decembermaand eindelijk samen met mijn geliefde doorbrengen. Met Robert, de man op wie ik zolang heb moeten wachten. Maar het was het waard. Hoewel we het nog steeds niet gemakkelijk hebben, ben ik ervan overtuigd dat wij het gaan redden samen.

Dat ik ooit de minnares van een getrouwde man zou worden, leek mij vroeger uitgesloten. Ik heb altijd sterke principes gehad en eerlijkheid is daarvan wel de belangrijkste. Daarnaast kon ik me niet voorstellen dat je je als vrouw tevreden zou stellen met een tweede, verborgen plaats. Maar de situatie met Robert was zo uitzonderlijk, dat ik me toch heb aangepast. We leerden elkaar kennen via een nieuwsgroep op internet van partners van ongeneeslijke kankerpatiënten. Hoewel mijn man op dat moment al een aantal jaren overleden was, zat ik opnieuw in een fase waarin de wond hevig schrijnde. Het steunde mij contact te hebben met mensen die dezelfde emoties kenden. Op dat forum las ik het verhaal van Robert. Hij had een paar maanden eerder gehoord dat bij zijn vrouw uitgezaaide maagkanker was vastgesteld. Haar levensverwachting was heel onzeker. Hij worstelde enorm met zijn eigen gevoel; hij vond het verschrikkelijk voor haar en probeerde haar zoveel mogelijk te steunen, maar kwam daarbij amper toe aan zijn eigen verdriet. Dat herkende ik, dat had ik zelf ook ervaren toen mijn man longkanker bleek te hebben. Zijn ziekteproces heeft maar een half jaar geduurd; een periode waarin ik me voor hem zo sterk mogelijk probeerde te houden, maar mijn eigen gevoelens volledig opzij zette. Mede daardoor ben ik na zijn dood in een diepe depressie geraakt; ik was het contact met mijzelf kwijt en wist niet hoe ik het rouwproces toe moest laten.

Hoewel ik zelf al een tijd uit dat diepe dal was gekomen, raakte het verhaal van Robert mij zo dat ik hem uitgebreid schreef. Er ontspon zich een mailwisseling die voor ons beiden erg waardevol werd. Ik werd zijn steun en toeverlaat in zijn verdriet, terwijl in zijn eigen omgeving de aandacht vooral naar zijn vrouw uitging. Het voelde goed zijn eenzaamheid wat te verzachten. Toch was ons contact geen eenrichtingsverkeer; ik kon ook bij hem veel over mezelf kwijt. Hij wist daar heel wijs en aandachtig op te reageren. Onze mailtjes werden ongemerkt langer, opener, intiemer. Toen ik met een vriendin op vakantie ging en ik in mijn hoofd continu tegen Robert aan het praten was en het liefst een paar keer per dag naar een internetcafé ging, besefte ik dat hij meer voor mij was geworden dan zomaar een vriend.

Als reactie daarop heb ik vijf dagen niets laten horen. Thuis trof ik een hartverscheurende mail aan, waarin Robert schreef dat hij me zo gemist had. ‘Ik weet dat het absurd is in deze situatie,’ schreef hij, ‘maar geloof dat ik verliefd op je ben.’ Ik voelde dus precies hetzelfde. Het heeft nog maanden geduurd voordat we elkaar gezien hebben. Allebei waren we bang dat een ontmoeting alles kapot zou maken. Wat als het niet klikte? En, erger nog: wat als het wél klikte? Meerdere malen hebben we het contact verbroken maar telkens opnieuw zochten we elkaar op. Hij had mij nodig en ik hem. Hoewel we tot het moment van onze afspraak geen foto’s hadden uitgewisseld, was er een heftig gevoel van herkenning toen ik de deur opendeed. Ik zag het meteen aan zijn ogen: ja, dit was Robert, de man op wie ik verliefd was, die zo’n grote rol in mijn leven was gaan spelen. Seks kwam er die eerste keer niet van, daar was het gewoon te speciaal voor. We hebben alleen maar naar elkaar gekeken, elkaar vastgehouden en eindeloos veel gepraat.

Maar één keer eerder had ik iets dergelijks gevoeld. Dat was bij mijn overleden man. Ook bij hem had ik indertijd meteen geweten dat het goed zat; na onze eerste ontmoeting hebben we tot de dag dat hij stierf niet één nacht meer apart geslapen. Ik had niet gedacht dat ik datzelfde gevoel ooit nog zou ervaren. Tot ik Robert ontmoette. Ik kon hem dus niet laten gaan. Hoe erg onze verhouding ook alle regels en wetten van fatsoen tartte.

Robert had datzelfde bijzondere gevoel voor mij. Ik weet zeker dat ik geen simpele vlucht betekende uit zijn treurige, moedeloze thuissituatie maar dat het hem om mij ging. Ons contact was uniek. De seks ook. Het voelde als thuiskomen. Voor mij was dat al zolang geleden, maar ook voor Robert: sinds de ziekte van zijn vrouw speelde seksualiteit geen rol meer in hun relatie. Onze ontmoetingen, slechts een paar keer per maand, waren oases van warmte, hartstocht, liefde, waar we ons beiden aan laafden. Robert moest er een hoge prijs voor betalen; hij heeft zich er altijd heel erg schuldig over gevoeld. Niet eens zozeer vanwege ons seksuele contact maar meer nog door het feit dat hij tijdens die uren met mij oprecht gelukkig was. Intens, hevig gelukkig, terwijl zijn vrouw zich thuis aan het voorbereiden was op haar dood.

Ik voelde me níet schuldig over onze ontmoetingen. Ik wist dat ik Robert iets gaf dat zijn vrouw hem niet meer kon bieden en ik wist ook dat ik haar niets afnam. Integendeel zelfs. Geen mens houdt het vol zich jarenlang voor een ander op te offeren. Roberts geluksmomenten met mij gaven hem de kracht haar daarna weer zo goed mogelijk te steunen, daar ben ik van overtuigd. Waar ik me wél schuldig over heb gevoeld, zijn mijn gedachtes. Want natuurlijk vond ik het moeilijk dat ik hem niet voor mijzelf had. Maar een scheiding was uitgesloten; dat hij voor mij zou kiezen terwijl zij nog leefde is zelfs nooit ter sprake gekomen. Een zieke vrouw verlaat je niet, bovendien hield Robert van haar, heel veel. Tot het einde hebben zij een hechte band gehad. En daar ben ik nooit jaloers op geweest, totaal niet, en ik vond het ook nooit erg als hij over haar sprak. Ik huilde zelfs mee wanneer er een slechte uitslag kwam en had op zulke momenten zoveel medelijden met die vrouw die ik niet kende, maar die mij toch zo vertrouwd was geworden.

Dat neemt niet weg dat ik ook maar een mens ben. En dat ik me vaak eenzaam en verlaten heb gevoeld. Al die keren, dat ik alleen was op momenten waar ik zo graag steun bij had gehad, die waren zwaar. Toen mijn moeder een hartaanval kreeg, kon Robert niet mee op bezoek. Hij bestond immers niet in mijn leven; maar één vriendin wist over hem. Toen mijn moeder begraven werd, zat Robert met zijn vrouw in het ziekenhuis voor een chemokuur. Natuurlijk begreep ik dat dát zijn plek was, maar het deed wel pijn. Het ergste vond ik oud en nieuw. Terwijl ik wist dat zijn vrouw zo’n avond zo hard hoopte dat ze het einde van het komende jaar nog zou halen, kon ik haast niet vechten tegen de wens dat ik een jaar later bij Robert zou zijn. Dat je bijna ‘wacht’ op iemands dood, dat is toch verschrikkelijk? Ik durfde daar niet over te praten, durfde het amper zelf onder ogen te zien. Tegelijkertijd vreesde ik haar overlijden oprecht, omdat ik wist dat het Robert zou breken. En zijn pijn is mijn pijn, heel simpel.

Acht maanden geleden is ze gestorven, toch nog vrij plotseling. Het was in alle opzichten verschrikkelijk. Vreselijk om Robert zo verdrietig te zien, maar ook vreselijk omdat ik hem dit keer amper kon bereiken of troosten. De eerste tijd na haar dood zocht hij vooral steun bij mensen die dicht bij haar stonden, met wie hij haar enigszins kon terughalen. Zo bracht hij veel tijd met zijn, al volwassen, dochter door, die haar moeder net zo miste als hij zijn vrouw. Toch heb ik vertrouwen gehouden. Wij hadden zo’n basis, zo’n sterke band gecreëerd in die vier jaar, dat kon niet zomaar voorbij zijn.

En dat was ook zo. De laatste maanden staan we weer heel dicht bij elkaar. We hebben eindelijk dat wat ons nooit gegund was: tijd. Oeverloos veel tijd. Om samen de krant te lezen. Samen te slapen. Samen te wandelen. Of de hele dag samen te zwijgen. Na de eerste klap heeft hij mij weer toegelaten in zijn verdriet, gelukkig. We praatten veel over zijn vrouw. Zij was vroeger altijd aanwezig in onze relatie en dat is ze nog steeds. En dat is prima. Toch kamp ik soms nog met dubbele gevoelens. Ik vind het erg dat de wereld zo oneerlijk is dat mensen zo jong sterven – ze was nog niet eens vijftig. Tegelijkertijd heb ík er een leven door terug gekregen en daar ben ik zo blij mee. Een leven waarin Robert eindelijk de rol kan spelen die ik wil. Nog slechts één ding is moeilijk. Robert wil dat niemand weet hoe het tussen ons is gelopen en hoe lang we elkaar al kennen. Ik kom nu als ‘gewone vriendin’ bij hem over de vloer. Ik begrijp het, ik respecteer het; een beetje pijn doet het wel. Op eerste kerstdag zal ik dus nog steeds niet bij hem zijn, want dan is hij bij zijn dochter, en ik bij een vriendin. Maar tweede kerstdag zullen we samen zijn. Ook oud en nieuw vieren we samen, eindelijk. En ik ga proosten op alle jaarwisselingen die ik nog met hem hoop door te brengen.’

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide