• start
  • biografie
  • opdrachtgever
  • nieuw 10
  • contact
  • oproep

Opdrachtgevers Vriendin artikel ...


Illegale adoptie in Nederland


Toen Nikkie zestien was raakte ze zwanger bij een verkrachting. In het geheim beviel ze, op 23 mei 1977, van een zoon en stond hem af. Tien jaar geleden begon ze met een zoektocht. Tot nu toe heeft ze geen spoor van haar zoon kunnen vinden. Is hij indertijd illegaal geadopteerd?

Nikkie:

‘Wat mij is overkomen verbijstert mensen. Het gebeurt wel dat ik niet word geloofd. Ik begrijp het wel. Ook ik heb nooit vermoed dat er iets niet klopte aan hoe ik mijn kind indertijd heb afgestaan. Maar na een zoektocht van bijna tien jaar is er nog steeds in geen enkel archief, in geen enkel dossier een spoor van mijn zoon te vinden. Alsof ik nooit bevallen ben. Alsof Michael niet bestaat en nooit bestaan heeft. Heel frustrerend, want ik heb er geen enkel tastbaar bewijs van: de littekens op mijn hart kan ik immers aan niemand laten zien. Maar ik voel de pijn ervan al tweeëndertig jaar. Sinds 23 mei 1977. Die dag heeft mijn leven bepaald. Die dag én die andere dag, negen maanden eerder.

Ik was een doodgewoon meisje van zestien. Ik was spontaan en sportief. Ik had lieve ouders, leuke vriendinnen. Ik was net, heel pril nog, mijn aantrekkingskracht op jongens aan het ontdekken. Zwemmen was mijn grote hobby en iedere dinsdagavond gaf ik les aan de kleintjes. Net zoals Ton, een man van in de twintig. Op een dag nodigde hij mij uit voor een feestje bij hem thuis. Opgetogen belde ik op het afgesproken tijdstip bij hem aan. Vreemd genoeg was er verder nog niemand. Er zou ook niemand komen. Onverwacht greep hij me beet en sleurde me naar een kleine, donkere slaapkamer om mij te verkrachten. Wat ik nog altijd niet begrijp, is dat ik niet protesteerde. Maar ik schrok zo van zijn agressie dat ik tot niets in staat was. Het was verschrikkelijk. Later heb ik mij verdoofd aangekleed. Ik ben huilend op mijn fiets gesprongen en gaan trappen, zo hard als ik kon. Ik gaf mezelf de schuld en schaamde me zo dat ik, toen ik eindelijk thuis kwam, niets heb gezegd. Ik hoopte dat ik dat wat er gebeurd was snel zou vergeten. Maar dat lukte niet. De eenzaamheid was vreselijk. Ik voelde duidelijk dat ik niet meer tussen mijn leeftijdsgenoten paste, de aansluiting was weg. In het zwembad ben ik nooit meer geweest.

Na vier maanden besefte ik plotseling dat ik al een tijd niet meer ongesteld was geweest. Ik maakte me eerst niet druk; ik kon onmogelijk in verwachting zijn want ik had immers met niemand gevreeën. Tot ik met een mokerslag besefte dat ik zwanger kon zijn van dat walgelijke dat Ton met mij gedaan had. Volledig in paniek heb ik in de badkamer naar de positieve zwangerschapstest zitten kijken. Voor een abortus was het te laat. Ik had nog steeds niemand verteld over de verkrachting. Hoe kon ik dan vertellen over mijn zwangerschap? Om de zwangerschap te verbergen snoepte ik veel en klaagde tegen iedereen dat ik zo aankwam. Doordat ik altijd al slobbertruien droeg, viel niemand iets op. En mijn buik is tot op de laatste dag niet echt dik geweest, alsof ook mijn lichaam wist dat dit verborgen moest blijven. Zo lukte het om iedereen om de tuin te leiden. Maar ik was voortdurend verstijfd van angst. Hoe moest dit nu verder? Ik haatte het kind in mijn buik; het liefst wilde ik dat het zo dood naar buiten zou vallen. Maar dat gebeurde natuurlijk niet. Dus na zeven maanden meldde ik mij bij de Rutgers Stichting, waar ik wel eens over gehoord had. Zij verwezen mij door naar een overheidsinstelling in Rotterdam. Toen ik vertelde dat niemand van mijn zwangerschap wist werd er niet aangedrongen dat ik het toch aan mijn ouders zou vertellen. Er is niet gesproken over een mogelijkheid dat ik mijn kind zelf zou opvoeden maar er werd besloten dat adoptie het beste was. Dat ik na de bevalling drie maanden zou hebben om daarop terug te komen, werd niet verteld; dat hadden ze mij natuurlijk van op de hoogte moeten stellen. Ze zeiden ook niet waar het kind naartoe zou gaan. Gewoon, ik zou het afstaan, zij zouden het verder regelen, klaar. Ik herinner me ook niet dat ik getekend heb of zo. Binnen de kortste keren stond ik weer buiten. Afspraak was dat ik me weer zou melden als ik zou gaan bevallen. In een roes zijn de laatste twee maanden aan me voorbij gegaan. Ik spijbelde doorlopend, was haast niet thuis, alleen om te eten en te slapen. Ik was erg bang dat ik niet op tijd in de kliniek zou komen. Maar toen het zover was ging het allemaal vanzelf. Op een ochtend voelde ik duidelijk dat er iets zou gaan gebeuren. Ik ben op de bus naar Rotterdam gestapt en heb me in de kliniek gemeld. Daar werd ik op een kamer gelegd. Radeloos ijsbeerde door de kamer, tot ik niet meer in staat was om te staan. Toen kwam mijn baby. ‘Het is een jongetje,’ hoorde ik ze zeggen. Op het moment dat ik hem hoorde sloeg mijn gevoel voor hem plotseling volledig om. Dat was míjn kind! Ik wilde hem zien, vasthouden, ruiken, horen, koesteren. Maar in plaats van op mijn buik, werd mijn baby tussen mijn benen geplaatst. Bij het doorknippen van de navelstreng legden ze een doek over hem heen, opdat ik hem niet zou zien. Direct daarna werd hij meegenomen. Het enige wat ik heb gezien zijn zijn voetjes vanonder het laken. Tien teentjes; tien mooie, perfecte teentjes van mijn zoon, die voor altijd op mijn netvlies zijn gebrand. De teentjes van Michael. Want zó moest hij heten, wist ik. Ik zag ze verdwijnen en bleef alleen achter. Ik hoopte zó dat ze nog even terug zouden komen. Dat ze me zouden vertellen waar hij naartoe ging. Dat ik zijn lakentje zou krijgen, of een plukje haar. Maar ze lieten mij alleen liggen daar in die kale kamer. Na twee uur ben ik gaan douchen. Verdwaasd ben ik daarna met de bus naar huis gegaan. Daar heb ik me opgesloten op mijn kamer. Het lege, het intens lege gevoel dat ik in mijn lichaam, in mijn hart voelde, probeerde ik te negeren. Ik dacht: nu is mijn probleem opgelost, het is voorbij. Maar het was helemaal niet voorbij. Die dag is er een muur is opgetrokken tussen mij en de rest van de wereld en voel ik mij een puzzelstukje dat nergens past.

Het is me niet gelukt mijn opleiding af te maken. Ik vluchtte in drugs. Jointjes, later harddrugs. Dat verdoofde mijn gedachten en de pijn. Om aan geld te komen moest ik uiteindelijk mijn lichaam verkopen. Dat vond ik zo vreselijk dat het me na een jaar is gelukt om zelfstandig af te kicken. Wat betreft seks is het nooit meer goed gekomen; ik verafschuw mijn lichaam nog altijd. Na mijn drugsperiode heb ik jaren in een verkeerde relatie gezeten. Mensen ruiken het als je als je zwak bent. Maar toen ik zwanger raakte van deze man en een dochter kreeg, wist ik dat ik weg moest. Sindsdien heb ik nooit meer met een man samengewoond.

Net als bij Michael was ook bij mijn dochter mijn zwangerschap amper zichtbaar geweest. Voor mij staat vast dat je lichaam zich aanpast aan stress. Hoe anders was het bij de geboorte van mijn tweede zoon, verwekt door een donor. Mijn buik straalde in volle glorie. Opnieuw moeder worden was beide keren heftig. Niemand wist immers dat ik het allang had meegemaakt. Toen ik na de bevalling van mijn dochter gepusht werd in bed te blijven werd ik boos. Douchen wilde ik, opstaan: dat kon ik de vorige keer toch ook? En ik wilde de couveuse waar zij in lag niet uit het oog verliezen. Stel dat iemand haar van mij afnam! Mijn twee kinderen, nu al bijna volwassen, zijn het mooiste dat mij is overkomen. Toch hebben zij het gemis van Michael niet kunnen uitwissen. Er is geen dag geweest dat ik niet aan hem heb gedacht. Tot zijn twaalfde vond ik troost in het kijken naar andere kinderen. Maar in de puberteit krijgen kinderen zo’n eigen identiteit dat ik hem van mij voelde wegglijden. Geen idee had ik, wat voor soort jongen hij was, wat hij deed, hoe hij leefde. Dat stak. Maar hem zoeken is nooit een optie geweest. Hoe moest ik de woorden vinden om dat grote geheim prijs te geven? Tweeëntwintig jaar heb ik mijn mond gehouden. Tot ik een burn out kreeg en ik mijn werk, in de zorg, niet meer kon uitvoeren. Ik kwam bij een psycholoog terecht. Ik heb haar meteen verteld dat ik overal over wilde praten, maar dat ik één aspect uit mijn leven voor mezelf wilde houden. Na een jaar zei ze: ik weet wat het is. Ze had gelijk. Bij haar ging het luik open, kwamen de emoties naar buiten die ik meer dan twee decennia had opgepot. Het was doodeng, maar ook een grote opluchting.

Toen mijn geheim ook thuis bij mijn kinderen een plek had gekregen, stond niets een zoektocht nog in de weg. Ik begon er nerveus maar optimistisch aan. Of ik mijn zoon echt zou gaan ontmoeten, dat wist ik natuurlijk niet. Hoewel ik dat hoopte, was dat niet per se mijn doel. Maar ik wilde in ieder geval weten hoe het met hem ging, hoe hij terecht was gekomen. Ik hoopte zó dat hij in een goed gezin was beland.

Maar alle instanties die iets van mijn zoon hadden moeten weten, wisten niets. Bij alle adoptie-instanties bleek ik onbekend. Bij de burgerlijke stand van Rotterdam is nooit een kind op mijn naam aangegeven. Op de desbetreffende dag zijn er alleen kinderen aangegeven die uit een echtpaar zijn geboren. Om adoptie rond te krijgen, had ik moeten tekenen, en het zou bekend zijn bij de kinderbescherming. Ook zou ik uit de ouderlijke macht ontzet moeten zijn, daarvan zou een melding te achterhalen moeten zijn geweest bij de rechtbank. Maar niets….

Ik heb geprobeerd informatie in te winnen bij de instelling in Rotterdam waar ik indertijd bevallen ben. Maar alle dossiers uit de tijd dat ik bevallen ben zijn kwijt. Dat is gek: ze hadden bewaard moeten zijn in het Nationaal Archief en als ze, om wat voor reden dan ook, vernietigd waren was daar toezicht op moeten zijn gehouden door de Inspectie op het Erfgoed. Beide zaken zijn niet gebeurd en als privépersoon lukt het mij maar niet te ontdekken waarom niet. Mijn kind verdwenen, zomaar. Eerst was ik steeds hoopvol dat ik toch een spoor zou vinden. Dat móest toch wel? Pas later ben ik gaan denken: is mijn zoon misschien buiten de officiële wegen door iemand opgenomen.

Tijdens mijn speurtocht ben ik in contact gekomen met enkele mensen die vroeger in de kliniek werkten. Ze zeggen van niets te weten. Maar later is er, in bedekte termen, toegegeven dat er soms rare dingen gebeurden. Ook heb ik ontdekt dat er geruchten zijn over kinderen die indertijd illegaal naar een bepaald klooster gingen om later onofficieel bij echtparen te belanden. Maar concreet wordt het nooit, helaas. Telkens loop ik tegen een muur. Daarom heb ik verschillende televisieprogramma’s aangeschreven, in de hoop dat zij mij verder konden helpen. Helaas. De kans op een happy end is klein en daarom ben ik denk ik niet interessant.

Ondertussen is mijn zoon al tien jaar onvindbaar. Mijn zoektocht werd een obsessie. Je gaat echt de gekste dingen zien. Zo stuitte ik bij het afstruinen van internet op ene Michael , maar dan anders geschreven, met dezelfde geboortedatum, van wie de achternaam op het woord ‘biezen mandje’ leek. Ik zag hier een teken in en wist ik plotseling zeker dat dit mijn zoon moest zijn. Ik weet het, het slaat nergens op, maar je maakt jezelf echt dol.

Ook Ton heb ik gezocht. Dat is wel gelukt. Dat kostte moeite, want op internet is er niets over hem te vinden. Werkelijk níets. Toeval? Ik denk het niet. Maar ik weet alles over hem. Waar hij woont, wat hij doet, met wie hij getrouwd is. Ik volg zijn kinderen op Hyves. Ik zou hem het liefst verruïneren, maar ik vind niet dat ik het recht heb om ook het leven van zijn vrouw en kinderen kapot te maken. Dus ik doe niets. Aangifte doen heeft nu allang geen zin meer: de zaak is al jaren verjaard. Ik heb wel een melding gedaan, zodat bij de politie bekend is wat hij met mij heeft gedaan, mocht hij ooit nog eens ergens van beticht worden.

Hoewel er nog altijd geen dag voorbij gaat zonder dat ik aan mijn oudste zoon denk, heb ik de hoop dat ik hem ooit nog vind eigenlijk laten varen. Natuurlijk bid ik om een wonder maar ik besef dat het niet realistisch is. Wat is wél hoop is dat mijn verhaal iets los zal maken bij mensen. En dat ik in contact kom met vrouwen die ook iets dergelijks hebben meegemaakt. Dan sta ik niet meer alleen. Mogelijk dat wij iets kunnen horen van artsen, verplegers, die, nu ze toch niet meer vervolgd kunnen worden, zullen toegeven: ja, er zijn dingen gebeurd die het daglicht niet kunnen velen. Deze erkenning zou voor mij heel belangrijk zijn.’

Reacties op dit verhaal zijn zeer gewenst. Mail naar

In Belgie zijn er zo’n 30.000 moeders die geen idee hebben waar hun kind is gebleven, in Nederland zijn er dat zo’n 25.000.’ Dit zegt Carine Hutsebaut (1956) uit België, gerechtsdeskundige en victimoloog. Zij is nauw betrokken bij onderzoek naar kindermoorden. Tijdens haar onderzoeken stuitte Carine op het verdwijnen van vele baby’s, met name in de jaren zeventig. ‘Vast staat dat velen van hen illegaal geadopteerd zijn. Het verhaal van Nikkie is geenszins uitzonderlijk, integendeel: dit gebéurde. Vaak betrof het kinderen van nog heel jonge meisjes, verwekt uit incest of verkrachting. Vaak werd de meisjes een schuldgevoel aangepraat, alsof zíj zondig waren. Via corrupte gynaecologen of nonnen werden deze kinderen voor veel geld verkocht. Ze werden aangegeven op de naam van een ander echtpaar. Vaak waren ook de pleegouders niet van de waarheid op de hoogte; hen werd verteld dat het een kind betrof van een prostituee die niet voor haar kind wilde zorgen. Door het ontbreken of expres achterhouden van documentatie staat er voorgoed een muur tussen moeder en kind. Ik heb vele vrouwen gesproken die iets dergelijks is overkomen en ik zie veel verwoeste levens. Ik ben op de hoogte van de tienjarige speurtocht van Nikkie en die is schrikbarend. Ze wordt overal geboycot, net als andere vrouwen in hetzelfde schuitje, net als ik met mijn onderzoek. Maar ik geef niet op en zet mij in om vrouwen te helpen en publiciteit te zoeken. Ik heb samen met Marleen Adriaens, van de ter zake doende belangengroep Maralina , en Elise Vandevenne, een biologische moeder die een grote rol speelt in mijn boek, een DNA databank opgezet, in samenwerking met een erkend lab. Hier kunnen moeders en adoptiekinderen zich inschrijven. Ik hoop dat wij zo mensen met elkaar in contact kunnen brengen en het aangedane leed te verzachten.’

Carine Hutsebaut schreef het boek Kleine zondaars - Kerk en kinderhandel, uitgeverij Houtekiet, 2003, ISBN: 9052406626

Contact met Carine of wil je je inschrijven in haar databank? Mail haar op: en/of neem contact op met de belangengroep Maralina: www.bloggen.be/maralina

Ga pagina terug  Ga naar boven

Heb je ook een interessant verhaal dat je (anoniem) in een tijdschift zou willen vertellen? Stuur dan een mail naar


© Lydia van der Weide